De First Salute: wat er op 16 november 1776 gebeurde
Op 16 november 1776 voer het Amerikaanse schip Andrew Doria de haven van Sint Eustatius binnen. Het schip vloog de vlag van de nieuwe Continentale Republiek, een staat die op dat moment amper vier maanden bestond. De gouverneur van Sint Eustatius, Johannes de Graaff, gaf opdracht het saluut te beantwoorden met elf kanonschoten vanuit Fort Oranje. Dat was voor het eerst dat een buitenlandse mogendheid officieel reageerde op de vlag van de Verenigde Staten.
De betekenis van dit gebaar was niet gering. Nederland was in die tijd neutraal in het conflict tussen Groot-Brittannië en de opstandige kolonies, maar Sint Eustatius fungeerde al jaren als doorvoerhaven voor wapens en goederen richting de Amerikanen. De Britse regering protesteerde fel. Gouverneur De Graaff probeerde het incident later af te doen als een misverstand, maar de diplomatieke schade was al aangericht.
De Britten namen in 1781 wraak. Admiraal Rodney veroverde het eiland en plunderde het systematisch. Handelswaar, schepen en persoonlijke bezittingen werden in beslag genomen. De rijkdom die Sint Eustatius in de achttiende eeuw had opgebouwd, verdween grotendeels in de maanden na de inname.
Fort Oranje: het middelpunt van de eilandgeschiedenis
Fort Oranje staat op een klif net boven de hoofdplaats Oranjestad en biedt uitzicht over de zee in de richting van Sint Kitts. Het fort dateert in zijn huidige vorm uit de zeventiende en achttiende eeuw, maar er is al langer een verdedigingswerk op die locatie geweest. De Nederlandse, Engelse en Franse vlag hebben er allemaal boven gehangen — het eiland wisselde meer dan twintig keer van bestuur in de koloniale periode.
Je loopt er vrij rond en het kost geen entree. De kanonnen staan nog op hun originele positie langs de muren. Een gedenksteen, aangebracht door president Franklin D. Roosevelt in 1939, herdenkt de First Salute. De tekst op de steen noemt het kanonschot van 1776 expliciet als de eerste officiële erkenning van de Amerikaanse onafhankelijkheid door een buitenlandse instantie.
Het fort is compact maar goed bewaard. Een rondgang kost je hooguit een halfuur. Combineer het bezoek met een wandeling door het onderste deel van Oranjestad, waar je funderingen en muren ziet van achttiende-eeuwse panden.
Oranjestad en de Lower Town: handelsverleden onder het oppervlak
Sint Eustatius had in de achttiende eeuw de bijnaam 'The Golden Rock'. De haven was een van de drukste doorvoerpunten in het Caribisch gebied. Schepen uit Europa, Noord-Amerika en andere eilanden deden het eiland aan voor suiker, rum, tabak, wapens en textiel. De bevolking groeide in die periode tot tienduizend mensen, een uitzonderlijk hoog aantal voor een eiland van slechts 21 vierkante kilometer.
Van die rijkdom is in de Lower Town vrijwel niets meer zichtbaar op het eerste gezicht. De opslaghuizen langs de vroegere kade zijn ingestort of weggespoeld. Wat resteert, liggen deels letterlijk onder de zeebodem: duikers vinden er achttiende-eeuwse flessen, ankers en scheepswrakken op korte afstand van de kust. Enkele funderingen zijn zichtbaar bij laag water.
De Lower Town is te bereiken via een steile afdaling van de Upper Town, een wandeling van vijf tot tien minuten. Er is een klein strand, maar de voornaamste reden om hier te zijn is de historische verbeelding: op dit terrein stonden in de achttiende eeuw honderden pakhuizen die dag en nacht goederen laadden en losten. Op het hoogtepunt van de handelsbloei lagen hier soms meer dan honderd schepen tegelijk voor anker.
Het Sint Eustatius Center for Archaeological Research (SECAR) doet voortdurend opgravingen op en rond het eiland. Als je interesse hebt in de archeologie, kun je via hun kantoor in Oranjestad informeren naar lopende projecten. SECAR publiceert ook resultaten online voor wie meer wil lezen over de vondsten.
Het Sint Eustatius Historisch Museum
Het historisch museum is gehuisvest in een achttiende-eeuws gebouw in de Upper Town van Oranjestad. De collectie behandelt de Arowak-bevolking die vóór de Europese komst op het eiland leefde, de slavenhandel, de handelsbloei van de Golden Rock-periode en de rol van de eilandbewoners na 1776. Openingstijden variëren per seizoen; in 2026 kun je het best vooraf controleren via de officiële website of telefonisch navragen, want de uren zijn niet altijd consistent.
De collectie is niet groot, maar goed samengesteld. Opgegraven voorwerpen, kaarten en archieffoto's geven meer context dan je ter plekke bij het fort kunt oppikken. Een bezoek duurt gemiddeld een uur. De combinatie van museum en fort op dezelfde middag is goed te doen: de loopafstand tussen beide is minder dan vijf minuten.
Buiten het museum, aan de straatkant, staat een monument voor de tot slaafgemaakten die de economie van het eiland droegen. Het eiland is kleinschalig genoeg om te voet te verkennen; de Upper Town meet slechts een paar straten breed.
Praktisch: Sint Eustatius bezoeken in 2026
Sint Eustatius heeft geen directe verbinding vanuit Nederland. Je vliegt via Sint Maarten, waar Winair propellervliegtuigen laat vertrekken naar het Juancho Yrausquin-vliegveld op Statia. De vlucht duurt ongeveer twintig minuten. In 2026 rijdt Winair meerdere keren per dag op die route, maar het aanbod is beperkt — boek vroeg.
Het eiland heeft een kleine accommodatiekeuze: een handvol guesthouses en twee of drie kleinere hotels. Er zijn geen grote resorts. De meeste bezoekers combineren Statia met Saba en Sint Maarten in een SSS-rondreis van tien tot veertien dagen. Als je alleen voor de geschiedenis komt, is twee tot drie nachten voldoende om fort, museum, Lower Town en The Quill te doen.
Sinterklaas speelt een onverwachte rol in de lokale folklore: Johannes de Graaff wordt op het eiland nog steeds herdacht, en de naam van het fort draagt zijn erfenis. De historische band met de VS is voelbaar in kleine details, van de straatnaambordjes tot de jaarlijkse Statia-Amerika Dag die elk jaar op 16 november wordt gehouden.